Forse terechte kritiek op beeldkwaliteitsplan.

Van diverse zijden krijg ik de laatste dagen opmerkingen over het beeldkwaliteitisplan. Graveon, Graeft Voort, Menno van Coehoorn, Leo de Vreede hebben diverse steekhoudende opmerkingen. Nu voegt zich daar een oud-architect die in Grave woont zich daar bij. Onderstaand zijn goed onderbouwd relaas. De raad en het college moeten deze kritiek ter harte nemen en mee laten wegen bij de behandeling van dit plan. Wanneer dit behandeld wordt is mij nog onbekend. Ik doe navraag bij de griffier. Ook de relatie met de binnenstadsplannen wil ik weten.

Lees:
Grave, 17 januari 2010

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Grave

Postbus 8

5360 AA Grave

Betreft: Beeldkwaliteitsplan binnenstad Grave

Geacht college,

Als gepensioneerd architect, die pas sinds enige jaren in de gemeente Grave woonachtig is, ben ik zeer geïnteresseerd in de stedenbouwkundige en architectonische aspecten van onze gemeente.

Reden waarom ik mij verdiept heb in het nieuwe Beeldkwaliteitsplan voor de binnenstad Grave.

Ik wil mijn “deskundige” visie graag zo breed mogelijk uitdragen. Daarom heb ik dit schrijven ook gericht aan politieke partijen in de hoop dat er voor Grave een zo optimaal mogelijk plan wordt vastgesteld.

Ofschoon het rapport een aantal duidelijke analyses maakt en juiste beschrijvingen geeft van de aanwezige beeldkwaliteit heb ik toch een vrij groot aantal opmerkingen.

De volgende algemene en specifieke opmerkingen heb ik op het voorliggende stuk.

Algemeen:

• Het doel van het beeldkwaliteitsplan is om een samenhangend pakket van kwaliteitseisen op te stellen. Indien het beeldkwaliteitsplan een handreiking moet geven aan bestuurders maar ook aan ontwikkelaars van nieuwe plannen (zoals burgers, opdrachtgevers en architecten) geeft dit rapport weinig tot geen specifieke richtlijnen maar laat de interpretaties van de gewenste kwaliteit over aan de politiek en/of ambtelijke beslissers.

• De richtlijnen voor reclame zijn daarentegen wel duidelijk.

• Het rapport is voor vreemden die niet met de specifiek Graafse locaties bekend zijn niet of zeer moeilijk leesbaar. Benamingen als “de Kat”, zonder een verwijzing in tekst en/of locatie op tekening, zijn niet te herkennen

• Maar ook voor insiders is het rapport slecht leesbaar door het ontbreken van renvooien en verwijzingen bij tekeningen. Toegepaste kleuraanduidingen in toelichtende tekeningen worden in de naastgelegen teksten of bij de tekening niet nader verklaard.

• In het algemeen wordt te veel uitgegaan van de bestaande historische situatie als maat voor nieuwe ontwikkelingen. Duidelijker zou omschreven moeten worden hoe nieuwe ontwikkelingen gevisualiseerd moeten worden (Prinsenstal, Hart van Grave)

• In het algemeen geen merknamen vermelden. Beter is om een uitstraling zoals de profilering e.d. van een bouwelement te beschrijven i.p.v. een materiaaltoepassing.

• Bij de behandeling van de diverse straten in de bijlage wordt (m.i soms onjuist, soms te beperkt) de karakteristiek van de betreffende straat met de aanwezige kwaliteit beschreven maar geen visie vastgelegd hoe met die beeldgegevens om te gaan en eventuele nieuwe ontwikkelingen te sturen. (voorbeeld: in diverse straten zijn stoepen van hardstenen met dito markeringspaaltjes, deze worden nergens vermeld)

• Ik mis een visie omtrent de verdere aankleding van de binnenstadstraten met hun fietsenrekken, paaltjes ter voorkoming van parkeren, enz.

• Blz. 17: In de Klinkerstaat wordt voor een groot deel van het jaar een tijdelijke overdekt terras ingericht. Hierover is geen visie ontwikkeld. M.i. verstoord deze voorzieningen het straatbeeld in ernstige mate terwijl het bovendien een gevaar oplevert voor voetgangers die verplicht de rijweg op moeten.

Specifiek:

• Blz. 18; plaats van diverse bastions met naam aangeven op kaart

• Blz. 20: wat is betekenis van de verschillende kleuren

• Blz. 25: Hier staat hoofdstuk “Waardering” maar het is een opsomming van kenmerkende aspecten zonder daaraan een expliciete waardering uit te spreken,

Wat is de betekenis van de diverse aanduidingen.

• Blz. 26: De bebouwingwand Maaszicht aan de Oliestraat zou qua schaal, rooilijn en bebouwingsbeeld aansluiten op de historische context. M.i is deze gevelwand bepaald niet kleinschalig en parcellering ontbreekt geheel. Dit is geheel in tegenspraak met elders beschreven wenselijke beeldkwaliteiten.

• Blz. 29: Hoofschestraat: Vooral het huidige plein voor het stadhuis is een vreemd element in het historische Grave en levert een grote leegte op. Gelukkig wordt dit in de nieuwbouwplannen van “Hart van Grave” goed opgevuld en de rooilijn aan oostelijke zijde van de Hoofschestraat wordt zodanig aangepast dat de breedte van deze straat wordt beperkt.

• Blz. 31: De leesbaarheid van dit hoofdstuk zou verbeterd worden door boven alle genummerde onderdelen ook een titel mee te geven. B.v. 1 Gevelopbouw, enz. De eerste zin van 1 is dan wel begrijpbaar.

• Blz. 31: In dit onderdeel ontbreken de stoepen van de oudere straten welke m.i. een wezenlijk deel uitmaken van de stedenbouwkundige en architectonische verschijningsvorm, zeker daar waar stoepen ook monumentaal zijn afgewerkt met hardsteenplaten en dito paaltjes,

• Blz. 32: Renvooi met betekenis van kleuren op de tekening ontbreken.

• Blz. 33: In de eerste kolom staat onderaan dat het merendeel van de huidige dakbedekkingen in rode pannen is. Volgens mijn inschatting (zie voorblad van dit rapport) ligt de verhouding rode en grijze pannen plm. 60 – 40 %.

Middelste kolom “Als uitzondering is met name het gebouw dat op blz. 30 met een gele rand is omkaderd het vermelden waard”. Over welk pand deze zinsnede gaat is alleen voor kenners uit de tekst te distilleren. Het gaat over het pand aan de Grote Markt (waarin een ijssalon) waar m.i. een minder geslaagde invulling van een straat- en gevelbeeld heeft plaats gevonden. Maar smaken verschillen.

• Blz. 35: Het hierin toegepast materiaal Trespa vind ik ook minder geslaagd maar de toegepaste materiaalkleur eigeel is een zeer historische kleur.

Het beschrijven van merknamen (“Herfst en Helder”) passen niet in een dit Beeldkwaliteitsplan.

• Blz. 35: middelste kolom: Vooral door het grootschalige en het ontbreken van parcellering past dit gebouw m.i. in het geheel niet in de gewenste bebouwingsvorm van de Hoofschestraat.

• Idem blz. 35: derde kolom: M.i. is het genoemde flatgebouw bovendien een zeer storende factor in de “skyline” van Grave.

• Blz. 35: Hierin worden de natuursteenpaaltjes die her en der gebruikt zijn niet genoemd. Indien betonnen paaltjes worden geadviseerd dienen deze nader beschreven te worden. B.v. paaltjes in de uitvoering grindgewassen beton zijn m.i. in onze binnenstad niet acceptabel.

Ook worden hier alleen historiserende lichtarmaturen beschreven, maar er zijn moderne maar in een historische omgeving zeer passende paalarmaturen beschikbaar. (voorbeeld: binnenstad Nijmegen)

• Blz. 38: M.i. doorbreekt de getoonde luifel totaal het straatbeeld en past bovendien niet in de proportionering van de gevel.

• Blz. 41: tweede kolom bij beeldkwaliteitsaspecten openbare ruimten opnemen: “straatinrichting” en deze ook verder uitwerken.

• Blz. 46 Is de uitspraak in de 3e alinea waarin staat dat een nieuwe bebouwing niet past in de historische context op het terrein van de scheepswerf niet in tegenspraak met de verderop beschreven mogelijk bebouwing van Bekaf?

• Blz. 47: De herbebouwing van de noordzijde van de Oude Haven zou langs de oude bebouwingsgrenzen moeten verlopen, m.i. geen binnenterreinen met verkaveling tenzij er een hofje, met poortontsluiting, gecreëerd wordt.

Tevens zou op de tekening een verduidelijking van de donkergele pijltjes aangegeven kunnen worden met tekst “doorgang”.

• Blz. 49; middelste kolom. Genoemd gebied zou niet alleen makkelijk bereikbaar moeten worden voor langzaam verkeer maar ook ontsloten moeten worden vanaf diverse wijken waardoor bewoners van deze wijken gemakkelijker het centrum kunnen bereiken.

• Blz. 51: Hier wordt in de eerste kolom bewoning in de kap niet mogelijk gemaakt. Indien aan een aantal eisen wordt voldaan moet dit toch wel verwezenlijkt kunnen worden. Zie ook de plannen bij “Hart van Grave”.

• Blz. 52: Hier staan in de tweede en derde kolom kenmerken beschreven maar er staat niet bij dat er naar gestreefd moet worden deze bij aanpassingen e.d toe te passen. Tevens staat hierin dat de gevels zijn opgebouwd uit rode baksteen. Ook geel gebakken stenen komen zeer regelmatig voor.

• Blz. 53: derde kolom: de hierin niet toe getolereerde voorzieningen worden op grote schaal ik het nieuwe plan “Hart van Grave” en terecht wel toegepast.

Zonnecollectoren zouden wel toegepast mogen worden mist zij niet vanaf de openbare weg zichtbaar zijn. Zeker in het licht van de noodzakelijke energiebesparende maatregelen.

• Blz. 55: Eerste kolom: daken zijn voorzien van gesmoorde pannen. (noot: gesmoorde pannen roodbakkende pannen die door een special proces “smoren” grijs – antraciet van kleur worden) Dit klopt niet met de werkelijkheid. Zoals eerder geschreven is de verhouding rode – donkere pannen plm. 60-40%.

• Niet wordt aangegeven hoe nieuwe woningen uitgevoerd moeten worden, het kan toch niet zo zijn dat alleen historiserend gebouw mag worden in Grave.

De hierin afgewezen kunststof kozijnen kunnen nu ook in monumentale uitvoering geleverd worden. Dus niet het materiaal maar de profilering beschrijven.

• Blz. 63. Hier ontbreekt de visie omtrent winkelpanden waarvan de winkelpui niet past in het historische gevelbeeld waaraan veranderingen doorgevoerd worden. Het zou wenselijk zijn te beschrijven dat daarbij de oorspronkelijke gevelindeling wordt hersteld.

• Blz. 65: Rolluiken kunnen ook achter de gevel geplaatst worden.

• Blz. 71: tweede kolom: Lantaarns zijn niet toegestaan? Indien deze in het historische straatbeeld passen kan dit zelfs een aanwinst zijn.

Bijlage:

• Blz. 11: In deze straten wordt het beeld in hoge mate bepaald door de haaks op de weg geplaatste fietsenrekken. Hierover is geen visie ontwikkeld of e.e.a. gehandhaafd, of vervangen moeten worden.

Tevens zijn er een aantal trottoirs uitgevoerd met hardstenen platen met dito paaltjes. Deze dienen m.i. beschermd en behouden te blijven.

• Blz. 35: Er wordt geen uitspraak gedaan omtrent de historische kwaliteit en de wenselijkheid de aanwezige muur in de Scheerestraat. M.i. is het een vreemd element in de historische bebouwing.

• Blz. 38: De elders beschreven mogelijke bebouwing aan de zuidzijde van het plein Lunette wordt niet verder ontwikkeld. Er zijn geen randvoorwaarden beschreven waar deze mogelijke bebouwing aan zou moeten voldoen.

Vestigingswerken:

• Het jammer dat er wel een weliswaar summiere beschrijving van de vestingwerken is beschreven maar er geen uitgebreide visie is ontwikkeld om mogelijke ontwikkelingen te sturen. Ook is geen beleid vastgelegd wat met de verschillende onderdelen in de toekomst zou moeten geschieden. Consequenties van de ingrepen c.q. verbeteringen hebben direct invloed op het binnenstadsbeeld.

Voorbeeld hiervan is mogelijk een of meerdere ondergrondse parkeerlagen onder Bekaf.

Maaskade:

• Jammer is dat er geen beeldkwaliteitsvisie is ontwikkeld over de Maaskade en Loswal. Dit is van essentieel belang voor het beeld van Grave aan de Maaszijde. Sluiten we aan op de industriële bebouwing van het scheepswerf door b.v. Stelconplaten als verharding aan te brengen of geven we dit stukje meer allure die past bij een oud vestingstadje, (Voorbeeld Leerdam).

• Ook zou een visie ontwikkeld moeten worden over bij het gebruik van de loswal met de daarbij behorende verhardingen en aankledingen.

Het arsenaal:

• Hier ontbreekt een beschrijving van de bestaande situatie en de wenselijkheid e.e.a. in de huidige bouw- en verschijningsvorm te handhaven of ruimte open te laten voor nieuwe ontwikkelingen. Wel dienen dan wel duidelijk de randvoorwaarden, zoals beeldkwaliteit, ontsluitingen, te behouden onderdelen e.d. vastgelegd te worden.

Ik vind bovenstaande 2 onderdelen belangrijk in het kader van het beeldkwaliteistplan i.v.m. de wisselwerking van de Loswal en het Arsenaal met de binnenstad.

Ik hoop dat u aan bovenstaande de nodige handreikingen heeft om het plan waar nodig aan te passen.

Mocht u vragen hebben dan ben ik bereid e.e.a. toe te lichten.

Met vriendelijke groet.

Herman A. van Beekum



Architect AvB


Molenbloem 4


5361 PN Grave.

Beeldkwaliteitplan binnenstad: enkele kanttekeningen



Bij wijze van woord vooraf: de standpunten hieronder zijn steeds ingenomen vanuit de Graafse geschiedenis. Op dit terrein ligt mijn competentie. Uiteraard zijn er zeer wel andere standpunten denkbaar en verdienen die zelfs de voorkeur. Maar het gaat niet aan ze te rechtvaardigen met een beroep op de geschiedenis als die geschiedenis daarvoor geen aanknopingspunten biedt.


Vraag: moet het BKP gaan dienen als ruimtelijke onderbouwing voor de diverse binnenstadsplannen, i.h.b. de locatie Bijl/Hofplein? Is voor deze plannen een ruimtelijke onderbouwing voorgeschreven?


p. 6 Het BKP strekt zich, zo zal blijken, tevens uit over delen van het industrieterrein Wisseveld, i.h.b. het gebied ten westen van de haven (terrein Cox), en over een deel van de uiterwaarden ten oosten van de stad (trapveld Jan van Cuijkdijk). Dit blijkt hier niet.


p. 7 Er is nooit een uitgewerkte ontwikkelingsvisie van Ralph Erskine geweest. De ruimtelijke ontwikkelingsvisie 1993 is de resultante van een herschreven rapport van bureau Centrum Herengracht (na kritiek vanuit de raad op het daarin gepresenteerde concept van de groene voorstad waarbij het besef van de in essentie ronde vorm van de binnenstad ontbrak) met de bijbehorende oorspronkelijke knelpuntenvisies van dit bureau i.c.m. knelpunten ontleend aan een enkele tekening van Erskine (zie Ralph Erskine in Grave, voorwerk) met daarop zijn versie van de toekomstige bebouwing in de binnenstad. De ROV is dus zeker niet van Erskine noch van Herengracht maar van de afdeling R.O. zelf.

De begrenzing van het BKP zoals die hier wordt omschreven is m.i. te eng. Het BKP omvat ten westen en ten oosten niet de buitenste ring van de vesting (zie de bijgeleverde projectie van de vestingwerken over de huidige kern Grave) en in het zuiden juist wel. Dit heeft ongetwijfeld praktische redenen van feitelijke en/of toekomstige en nog niet ingevulde beschikbaarheid, maar hier zou toch eerder een principiële keuze aan de orde moeten zijn waarbij de buitenwerken in hun geheel worden meegenomen.

p.8 Het kasteel te Cuijk is verwoest in of na 1133 en zeker niet in 1132; de verwoesting vond plaats als wraak voor de dood van Floris de Zwarte in 1133. Bij dezelfde verwoesting werd ook de nederzetting om het kasteel heen verwoest en dit verklaart waarom de nederzetting Grave zo snel tot ontwikkeling kwam: er moest bevolking worden geherhuisvest.

De geschetste toedracht (inundatie) lijkt mij zeer wel mogelijk, maar mijzelf lijkt het waarschijnlijker dat er zich bij de monding van de Raadm mede door aanslibbing gaandeweg een hoogte heeft gevormd omgeven door een moerassig gebied doorsneden met waterlopen dat zich leende voor uitgravingen. De natuurlijke hoogte lijkt mij juist niet vergraven: die vormt de kern van de nederzetting. Uit vroege gegevens blijkt (zie de kaart van Neroni in Ralph Erskine in Grave p. 8) dat er al vroeg een dubbele (oostzijde) en zelfs driedubbele gracht is geweest. Dit wijst m.i. op benutting van bestaande waterlopen. Overigens zou Grave (de Graaf) haar naam kunnen ontlenen aan een vroegere benaming van de Raam. Ik meen dat kasteel (waarvan men zich voor deze jaren geen overdreven voorstelling moet maken) en nederzetting zich min of meer tegelijk hebben ontwikkeld en dus ook min of meer planmatig. Van een eerdere (bescheiden) nederzetting voor de komst van de heren van Cuijk, b.v. ter plaatse van de St. Elisabeth, is tot nu toe niets gebleken. Alles wijst erop dat de heren van Cuijk vrij snel na de verwoestingen van Cuijk een nieuw machts – en verblijfcentrum hebben ontwikkeld. Het geplande archeologisch onderzoek ter plaatse van de tuin van het stadhuis van 1971 is hier zeer van belang.

Jan van Cuijk moet zijn Jan I van Cuijk. Er zijn er meer geweest.

Er is geen schriftelijk bewijs voor 1290 als stichtingsdatum voor het stadhuis. Er is geen stichtingsbrief. In 1291 blijkt het gasthuis in aanbouw. Dus: rond 1290.

De eerste ommuring is van rond 1300 (Coldewij p. 108 op basis van de gasthuisarchieven: houten schutting vermeld in 1293, muren in 1307.

Ik zou graag willen weten welke straatnamen al in de 14de eeuw, dus voor de stadsbrand van 1415, bekend waren. Ik wil dit wel zelf nazoeken.

Het kasteel lag niet binnen de ommuring van de stad maar binnen zijn eigen ommuring.

Grave heeft al vroeg een handel van betekenis gehad, sterk gestimuleerd door de in 1290 verleende tolvrijheid voor Graafse burgers in Holland en Zeeland. Nadien volgen andere tolvrijheden. Naast het transport over de Maas is de wolweverij van grote betekenis geweest. In 11342 krijgen de wolwevers een privilegebrief. Achter het Gasthuis wordt nog in de 17de eeuw de Ververstraat genoemd, Achter de Marstal de Vollerstraat en de St. Jorisstraat de Weverstraat. Paringet noemt de ‘draperye’ ‘heel florissant geweest’. Vanaf 1474 hadden de Graafse brouwers het monopolie voor de bierverkoop in Grave en het land van Cuijk; in 1536 zijn er 32 brouwerijen in Grave (dit monopolie ging verloren in de 80-jarige oorlog). NB: deze brouwerijen stonden m.n. aan de Oliestraat. Ik vraag me voorzichtig af of er na 1415 geen stadsuitleg zou kunnen zijn geweest ten oosten in de vorm van de huidige oostzijde van de Oliestraat en de straat Achter het Gasthuis (nu Gasthuisstraat). Dit spoort met de plaats van de oudste Ham- en Brugpoort (op de kop van de Oliestraat zuidzijde en even voorbij de kruising Gasthuisstraat – Hamstraat – Boreel de Mauregnaultstraat. De elders geopperde mogelijkheid van een latere doorsnijding van een vroeger blok Markt – Rogstraat – Klinkerstraat – Hoofschestraat door middel van de huidige Lomberdstraat en de vroegere straat Achter het Stadhuis houdt daarmee wellicht ook verband – als dat klopt. Anderzijds kan deze doorsnijding toch al heel vroeg zijn geweest. Vgl. de diepte van het oude stadhuis. Grave heeft veel straatjes en gasjes in hoofdzaak als ontsluiting van achtergelegen erven met als nevenfunctie de afvoer van regenwater over de daken. Ik verwacht ook hier veel van de opgravingen ten westen van de Scheerestraat. Paringet meldt dat er in zijn tijd t.h.v. de Lomberdstraat en ten westen van het stadhuis veel oude kelders en gewerven waren als sporen van een vroegere bewoning.

Het klooster Maria Grad is niet gesticht. Enkele begijnen van het bestaande begijnhof hebben in 1459 de regel van de derde orde van St. Franciscus aangenomen, wat vervolgens van wereldlijke en kerkelijke zijde werd bevestigd, i.h.b. in 1475 door de bisschop van Luik. Aangenomen moet worden dat het in die tijd bestaande begijnhof, van dan af het oude begijnhof, een eigen kerk of kapel had (zie de oudste stadsplattegronden die hardnekkig twee kerkgebouwen geven aan de westzijde van de Hoofschestraat. De benaming ‘weeshuis’ op een van de kaarten is onjuist). De nieuw gevormde kloostergemeenschap kreeg eerst een eigen huis en vervolgens een eigen kerk (en kerkhof), gebouwd rond 1515. Terzelfder tijd zijn de St. Elisabeth en het kasteel verbouwd; er is kennelijk werk met werk gemaakt. Opmerkelijk is dat de kloosterkerk op diverse plattegronden als niet georiënteerd wordt weergeven. Het oude en nieuwe begijnhof zijn lang naast elkaar blijven bestaan. De samenvoeging (tot een klooster) is van voor 1639. In dat at jaar wordt enkel vermeld dat de versmelting al heeft plaatsgevonden. Opmerkelijk is tevens dat al in 1327 wordt gesproken van een nieuw begijnhof: nieuw in de zin van nieuw versus oud of nieuw in de zin van nog niet zo lang geleden gesticht?

Mogelijkheid voor inundatie: i.p.v. aktieve inundatie lijt mij meer de natuurlijke inundatie in de winter aan de orde. Inundatie als strategie blijkt niet uit de militaire geschiedenis van Grave. De militaire geschiedenis van de 16de en 17de eeuw vinst haar vertrekpunt in elders aangezwengelde oorlogen waarbij de vesting Grave mikpunt werd.

De handelsmogelijkheden van de stad Grave worden vanaf de Middeleeuwen ingeperkt door de militaire lotgevallen van de streek enerzijds en het verval van de middeleeuwse nijverheid anderzijds. Die achteruitgang was niet specifiek voor Grave maar anders dan elders kwam er niets voor terug. Desalniettemin bleef de handel over de Maas floreren. Het is niet voor niets dat het burgerschap van Grave steeds aantrekkelijk bleef, vooral voor Maasschippers. Voor wat betreft het Graafse garnizoen kan worden gesproken van een dubbele verhouding: profijt bij een sterk garnizoen, maar tegelijkertijd zware druk op de stedelijke gemeenschap door inkwartiering bij de burgers zelf. Zie de geschiedenis van de Graafse stedelijke kazernes (museumbrochure). Van overwegend belang is m.i. dat de stad en de burgers de kosten van het garnizoen niet of enkel ontoereikend kregen terugbetaald door de Raad van State terwijl de kosten van vroeger opgelopen en d.m.v. leningen betaalde schattingen van vijandige legers gewoon moesten worden afbetaald.

p. 10 Van een dijk langs de Maas aan weerszijden van Grave is mij in het geheel niets bekend. Zou die er zijn geweest, dan waren er geen overstromingen geweest!

Het is gevaarlijk al te vergaande conclusies te trekken op basis van de 17de eeuwse plattegronden van Grave binnen de muren. Betrouwbare stadsplattegronden zijn er pas in de 18de eeuw (zie de kaarten van C. van Suchtelen ca 1750). De opmerkingen van p. 11 lijken mij eerder betrekking te hebben op de 17de eeuwse dan op de 18de eeuwse plattegronden. Op de kaart van Blaeu is de Scheerestraat wel aangegeven.

1582 als precieze datum voor nieuwe vestingwerken is mij onbekend. Vanaf ca 1577 vonden er veranderingen plaats. De (oude) haven wordt in de Atlas van historische vestingwerken gedateerd op (ca) 1570. Zie voor de muurtorens de kaart van Neroni. Het klooster en de kloosterkerk werden in het beleg van 1674 zwaar getroffen. Ook het geesthuis en het weeshuis werden in 1674 verwoest.

De vestingwerken van 1680 en later mogen niet worden toegerekend aan Menno van Coehoorn.

Er werden 4 bastions aangelegd (zie kaart 1674), later verminderd tot 3 (kaart 1758). Het aantal van 6 is mij onbekend. Er kwamen 2 halfbastions. Het aantal ravelijnen is in de loop der tijden vermeerderd van 3 (ca 1674) tot 4 (ca 1758) Ik ken geen 2 ravelijnen in het hoornwerk over de Maas. Ik zou hier het latere kroonwerk Coehoorn noemen.

De HUIDIGE Hampoort is in 1688 gebouwd. Er ging minstens een Hampoort op een andere plaats aan vooraf.

Waar is het belang van de graanhandel voor de 18de eeuw te vinden?

Ik zou niet Hattinga maar Van Suchtelen opvoeren (zie de Atlas).

De stal achter het kasteel is het huidige Arsenaal. Dit arsenaal is nooit een kruitmagazijn geweest. Dit magazijn is ca. 1689 gebouwd en nadien de kapel geweest van de RPI. Het kasteel ligt onder de kat. Het kruitmagazijn ligt ernaast. Bij recente opgravingen is ten onrechte niet gegraven ter plaatse van de vroegere toegangspoort tot het kasteel (tussen kazematten en kruitmagazijn).

De kazernes lagen aande NOORDwestzijde van de Hoofschestraat voorbij de Bagijnestraat.

De oude straat achter de Marstal omvat de huidige Boreel de Mauregnaultstraat.

p. 12 Het kadastraal minuutplan is zeker van voor 1828 (bouw infrimerie). Hoe komt men aan 1818?

p. 13 Over de beschreven situatie rond 1895 zullen anderen moeten oordelen. Mij zijn bekend:

De doorsteek naar het huidige Wissenveld als achterland voor de fraters van Henricus

De wandelweg aan de zuidkant (G.W. Lovendaalsingel)

De Kastanjelaan (St. Elisabethstraat)

De Jan van Cuijkdijk

De bouw van het St. Elisabethsrustoord met tuin ter plaatse van het bastion Hartenaas

De vluchthaven

De bebouwing langs de courtine tussen de bastions Kastele en Oranje dateert uit de 20ste eeuw.

De verlegging van de veerstoep is van zeer ondergeschikt belang.

Wat verstaat men onder buitengracht versus hoofdgracht?En over het singelsegment met een krul naar de Hoofschrstraat?

De importantie die hier aan de wijzigingen na 1874 wordt toegekend is m.i. niet overeenkomstig de werkelijkheid.

De hier benoemde dwarsstraat parallel aan de Hoofschestraat bestond als verbindingsroute al veel langer (zie Van Suchtelen).

p. 14 Waaruit blijkt de vlucht naar de Duitse industrie?

In 1898 wordt een RPI gevestigd in het voormalig groot Arsenaal.

De Wijnberg als instituut bestond al vanaf 1848.

Het bastion Kasteele is niet bewaard gebleven, halfbastion Bekaf deels.

p. 15 Niet de Lomberdstraat is deels verdwenen maar de straat Achter het Stadhuis is verdwenen en wel geheel.

De sanering van de Pauselijke Staten is niet meer dan een incident in de sloopwerkzaamheden ten westen van de oude haven.

Er heerst in dit rapport een misverstand over de functie van de oude haven. Dit is nooit een HANDELShaven geweest. Aan de westzijde (Prinsenstal) is er nooit sprake geweest van bebouwing t.b.v. de haven. De handel over de rivier vond plaats via de Maaspoort en de vlakte voor die poort buiten de muren. Op die plaats werden ook belastingen geheven. De Maasschippers woonden voornamelijk in de Maasstraat. Aan de noordwestzijde van de oude haven begon een vrij hoge wal. De bebouwing direct grenzend aan de oude haven bestond uit tuinen en bijgebouwtjes. Er was geen verkeer mogelijk buiten de poorten om. De vroegere Vispoort aan de noordzijde van de Oliestraat werd – de naam zegt het al – enkel gebruikt door vissers en is middeleeuws van oorsprong en functie. De vroegere Spoelpoort (zie de kaart van Neroni) had geen handelsfunctie. De oude haven heeft dus altijd geisoleerd gelegen. Ook de datum van aanleg van de oude haven t.o.v. de middeleeuwser handelsactiviteiten over de Maas springt hier in het oog. Het was een VLUCHThaven, zoals ook de (oorsprong van de) nieuwe haven.

p. 15 Er is dan ook geen historische grondslag voor bebouwing onmiddellijk grenzend aan en/of met een hoofduitgang naar de oude haven. Historisch gezien dient een eventuele bebouwing terug te wijken van de haven.

Zie voor p. 16 mijn kommentaar bij p. 6.

p. 17/18 Het is onzin dat er binnen de vesting gronden vrij moesten blijven voor landbouw en veehouderij ten tijde van oorlog. De samenstellers lijken niet te beseffen dat het huidig industriterrein Koninginnedijk/Wissevels NIET binnen de vesting viel. Burgers hielden wel koeien, maar in een stal bij hun huis. In 1785, in vredestijd waren er op 1730 zielen maar 56 stuks hoornvee (en 35 paarden). Er was in heel de 17de eeuw voor 1674 binnen de stad in de buitenste ring wel ruimte voor losse (niet bij het eigen huis gelegen) moes- en koolhofjes in combinatie met hofjes tussen de fortificaties van toen en daarbuiten in de Stoof. Na 1674 verdwijnen die grotendeels in de nieuwe vestingwerken. De kaart van Van Suchtelen (omslag Atlas) laat veel tuintjes zien buiten de stad in het Escharense veld en binnen de stad ter plaatse van de vroegere tuinen van het kasteel, achter de westzijde van de Hoofschestraat en achter het klooster. Een andere kaart van Van Suchtelen toont tuintjes achter de straat Achter het Gasthuis. Maar met landbouw en veeteelt hebben ze niets van doen.

De straten volgen niet de contouren van de vesting, de omwalling en ommuring van de vesting volgt de contouren van de straten.

De straten van Grave zijn wel degelijk alle bedoeld voor de afwikkeling van verkeer. Dat geldt zelfs voor de gasjes.

Door de nadruk te leggen op het stenig karakter van de binnenstad miskennen de samenstellers dat de gesloten fronten aan de straatzijde veelal onbebouwde achtererven en tuinen hebben aan de achterzijde, vaak via gassen te bereiken. Dit geldt met name voor de voormalige huizenrij achter het stadhuis aan de zuidzijde en achter de oostzijde van de Oliestraat, en dit tot minstens het einde van de 19de eeuw toe. Daarnaast blijkt uit archiefmateriaal dat er binnen de stad langs de straten ruimte is geweest voor bomen. T.a.v. de straatbreedte geldt dat de handel zich vaak voor het huis/de winkel op straat afspeelde. E.e.a. is dus historisch gezien geen grond voor verdere verstening, met name aan de zijde van de huidige Bijl (de straat daar is niet historisch).

Er is geen kruitmagazijn onder de kat, het staat er (de latere kapel) los van. Het arsenaal komt voort uit de vroegere stal bij het kasteel BUITEN het eigenlijke kasteelgebouw en buiten de kasteelgracht. Het kasteel ligt onder de kat.

p. 19 De vestingstad omvatte geen landbouwgronden. Ter plaatse van het huidige industrieterrein lagen ook geen landbouwgronden. In een brede ring rond de stad waren er nauwelijks boerderijen. De boeren woonden in Velp en Escharen.

De Hanmpoort in zijn huidige vorm ia altijd van de verdere bebouwing afgesloten geweest d.m.v. een weg/pleinachtig gebied. Er stonden geen/nauwelijks huizen aan de westzijde van de huidige St. Elisabethstraat, enkel achterhuizen van de straat Achter het Gasthuis. Zie o.a. de kadasterkaart.

5 bastions = 3 bastions en 2 halfbastions.

De muur langs de Maas met de rondelen is m.i. niet oud, alleen in de voet. De muur van de oude haven is zwaar gerestaureerd.

p. 22 A De bebouwing van de locatie Inifrmerie/Hoofschestraat heeft geen historisch fundament. Er had aan de zijde van de Hoofschestraat ten noorden van de Bagijnestraat een rij huizen moeten komen met achtertuinen (en zeker zonder balkon). De hoogte is historisch gezien onjuist. B De bebouwing langs de nieuwe haven mist elk historisch fundament.

Restant oud bastion = halfbastion. Wie recht wil doen aan de historische situatie langs de haven aan de westzijde moet ter plaatse de buitengracht met het ravelijn en met de contouren van de vestingwerken daarbuiten terugbrengen en pas daar weer buiten eventueel nieuwbouw of recreatie of eventueel een uitbreiding van de haven. In combinatie met herstel van de vestingwerken ter plaatse van het Sensisterrein en het trapveld aan de Jan van Cuijkdijk liggen hier grote toeristische potenties.

Bestaande paden Klinkerstraat: De Bijl is altijd beperkt gebleven tot de directe ontsluiting van de achterven enkele aangrenzende panden in de Klinkerstraat. De nu naar de Scheerestraat doorlopende straat mist een historisch fundament. De locatie Bijl/Hofplein zou vanuit de historische structuur gezien moeten leiden tot een gesloten straatwand aan de westzijde van de Scheerestraat zonder doorgang naar die Scheerestraat, tot herstel van de oude straat Achter het Stadhuis en herstel van de gesloten straatwand aan de westzijde van het huidige Hofplein, en tot een op één plaats doorsneden straatwand direct grenzend aan het oude Stadhuis in de richting van de Hoofschestraat (herstel van de vroegere Kerkstraat); dit alles met daarachter enkel huisgebonden hulpfuncties (zie hiervoor de kadasterkaart). Bebouwing van de huidige Bijl aan de noordzijde met uitgang in de Scheerestraat lijkt mij overigens verantwoord. Elke pleinvorming vloekt met de historische structuur. Een aan de westzijde losstaand oud stadhuis idem. De rooilijn in de richting van de Hoofschestraat vanaf het oud stadhuis loopt licht gebogen. Een overkluizing à la de tekening van Erskine is onzin. Het zou historisch gezien eveneens een vloek zijn juist ter hoogte van de Kerkstraat de hoofdingang van de Hema (met bijbehorende puien en reclames) te situeren.

In het algemeen vrees ik dat nieuwbouw speciaal hier, maar ook elders in de binnenstad, historisch beschouwd veel te hoog dreigt te worden opgezet. Dat gevaar blijkt ook wel uit dit BKP. De goothoogte van de – enkele – hoogste huizen geldt in de praktijk als minimum. In de plannen van Van Eyck met het Hofplein werd de St. Elisabeth (elders in dit rapport beschreven als van een voor Grave unieke hoogte) volledig weggedrukt. Bij wat ik heb gezien van het nieuwe plan Bijl/Hofplein is dat zeker ook het geval. Een overeenkomstig gevaar schuilt in de voorziene bebouwing van de Prinsenstal ten opzichte van het zicht op de stad vanaf de Jan van Cuijkdijk. Ik begrijp dat de hoogte wordt gezocht om financiële redenen, maar historisch gezien is er geen rechtvaardiging voor te vinden.

Ik pleit anderzijds nadrukkelijk niet voor een historiserende bebouwing of nieuwbouw zonder meer. Grave telt hier m.i. twee werkelijk stuitende voorbeelden: de kerkleuner en Markt 2, de creatie van Rijnboutt. In het ene geval een reconstructie enkel op basis van een plaatje uit de 18de eeuw met voorbijgaan van elke vorm van historische ontwikkeling; in het andere geval een brutale aanval op het historisch aanzien van de Markt en de St. Elisabeth. De hier gerealiseerde bouw is veel te hoog (zie bijgeleverde foto van de voorganger), heeft veel te veel glas, een ten onrechte plat dak en, wat nog het ergst is, het gebouw heeft het zicht op belangrijk en bijzonder metselwerk aan de westzijde van de St. Elisabeth voorgoed onmogelijk gemaakt.

p. 23 Een toeristische functie ter plaatse van de Maaskade zuid en de oude haven mist elke historische grondslag.

Over de Trompetterstraat en de Lunette zou m.i. een fundamentele NIEUWE discussie moeten plaatsvinden. De parkeerfunctie wordt hier te makkelijk opgeofferd aan structuuroverwegingen zonder historisch fundament. De Trompetterstraat zou uit historisch oogpunt moeten worden versmald vanaf het Ravelijn met een gesloten straatwand (of muur) aan de zijde van de Lunette ter hoogte van de huidige parkeervakken dwars op de Trompetterstraat. Daar loopt immers de oude grens van de bebouwing van de historische binnenstad. Maar men zou zich ook kunnen afvragen of dit wel zo nodig is. De Klinkerstraat vormt met zijn breedte nu een natuurlijk aandoende toegang tot de oude stad. Men kan niet alle latere ontwikkelingen wegpoetsen. Voor een poort is historisch gezien geen enkele rechtvaardiging. De Erskinepoort aan de Hoofschestraat ontbeert die overigens eveneens. Als daar al een poortachtig gebouwtje had moeten komen (historisch onjuist), dan ter hoogte van de Bagijnestraat/Ravelijn.

7. Hoewel dit nog elders in het rapport ter sprake komt, plaats ik hier de kanttekening dat er geen enkele historische reden te bedenken is voor bebouwing aan de oostzijde van de St. Elisabethstraat. Bebouwing daar is niet structuurversterkend maar juist zwaar verstorend. Het Sensisterrein biedt de unieke kans om – net als bij de nieuwe haven – tenminste de contouren van de vestingwerken terug te brengen en zo mogelijk een reconstructie daarvan. Voor bebouwing hier zijn m.i. ook geen volkshuisvestingtechnische argumenten te bedenken, gezien de geagendeerde bebouwing Wisseveld/Koninginnedijk, de locatie Bijl/Hofplein en de locatie Prinsenstal. Ik zie ook geen bebouwingsmogelijkheden aan de noordzijde van de Loswal op historische basis. Kennelijk wordt het halfbastion Bekaf bedoeld. Ook hier een unieke kans om – na een eventueel vertrek van de scheepswerf – de vestingwerken te reconstrueren. Archeologisch onderzoek naar het klein kasteel is hier zeer wenselijk. Grave is juist als vestingstad altijd afgekeerd geweest van de ommuring/omwalling. Dat had voor de hand liggende praktische redenen. Contact met de Maas anders dan nu het geval is, is historisch gezien niet te verdedigen.

9. Eventuele bebouwing ter plaatse van de voormalige marechausseekazerne mist ieder historisch fundament.

p. 27 Op deze pagina valt de letterlijke herhaling van eerdere tekststukken op. Zie mijn kommentaar bij het eerdere optreden van die stukken. Mededelingen worden door herhaling niet meer of minder waar en dat geldt ook voor deze pagina.

p. 28 De scheepswerf past duidelijk NIET in een rivierenlandschap; wel qua functie, maar zeker niet met de bestaande bebouwing. Aan de westzijde heeft de stad nooit een poort (verkeersfunctie) gehad; logisch, want er liep geen weg. Elke poort aan die zijde is historisch niet verantwoord. Zie hier ook mijn eerdere opmerkingen over de Maas. Idem p. 29.

p. 30vv Het valt mij op dat er bij de samenstellers zeer weinig oog is voor de feitelijke historische ontwikkelingen in de gevels van de binnenstad en dan met name de winkelfuncties op de begane grond. Er heerst in dit rapport een soort eenheidsdenken ten gunste van de 17de en de 18de eeuw ten koste van de 19de en de 20ste. Dat geldt met name op microniveau, in de voorschriften over reclameuitingen, straatmeubilair en dergelijke. In de jaren 70 is er in dubbel opzicht veel gesloopt: er zijn veel huizen verdwenen door sloop tout court (Scheerestraat, Hoofschestraat, Oliestraat oost) maar ook door sloop in de vorm van vernieuwbouw. Veel rijksmonumenten zijn verknoeid door wat in feite nieuwbouw was. Bij die vernieuwbouw is vonsequent gekozen voor het oudst mogelijke, vaak deels hypothetische front. Er ontbreekt bij deze bouw en ook in dit rapport ieder zicht op de ontwikkelingsgeschiedenis van de panden in de binnenstad. Aldus beschouwd zou de kerkleuner moeten zijn herbouwd naar de laatst bekende vorm. Er is in dit rapport maar bitter weinig ruimte voor een mogelijk gelijk van de ontwikkeling van panden tot nu toe. Van veel begane gronden in de binnenstad is de oorsponkelijke pui verloren gegaan, maar het gaat niet aan dit als in zich slecht te bestempelen. Het rapport heeft sterk de neiging het oudste oude te verabsoluteren in combinatie met één enkel recept voor zowel de gevels als reclame en meubilair c.a.: heel bescheiden, “oud”, klein en, naar ik vrees, bekrompen. De binnenstad is vroeger steeds uitermate levendig en in letterlijke zin kleurrijk geweest. Een goed bewijs hiervoor is het Spilmannetje van de Maasstraat. Een winkel vraagt om een andere pui dan een woonhuis en daar is in dit rapport geen ruimte voor.

Terzijde: de samenstelster van de gemeentelijke monumentenlijst begin jaren 90 heeft t.t.v. het opstellen van de lijst contact gehad met prof.dr. Cees Peeters (toevallig haar promotor) die rapporteur is geweest voor de Graafse rijkslijst. Achteraf vond hij dat de rijkslijst tamelijk willekeurig en met te grote snelheid is samengesteld. Ik voeg daar zelf nogmaals aan toe dat toen aangewezen rijksmonumenten vaak veel te sterk zijn gerestaureerd in de vorm van vernieuwbouw.

p. 31 Waar staan de hier vermelde trapgevels?

Zou het niet zo kunnen zijn dat de stad na de brand van 1415 al in belangrijke mate in steen is herbouwd? Er waren steenovens in de directe omgeving.

p. 33 sub 9. Hier wordt erkend dat er meestal sprake is van twee bouwlagen in plaats van drie. Elders in het rapport wordt daar geen rekening mee gehouden.

De pannen zijn NIET merendeels rood van kleur. Ze zijn vaak ook blauw/grijs. Zie de maquette in het museum waar elk dak nauwkeurig in de juiste kleur is geverfd.

Markt 2 (Rijnboutt) is m.i. niet voor herhaling vatbaar. De hier gegeven argumenten doen erg gezocht aan. Waarom niet eerlijk toegegeven dat dit een misser is?

p. 35 Wat denkt het rapport hieraan te doen? Men kan toch moeilijk alles van een nieuwe gevel voorzien!

p. 36 Wat hier wordt aangeduid als een anti-parkeeroplossing (beton) is in werkelijkheid veelal een anti-overvaloplossing. Dat geldt ook voor rolluiken. Moeten hier geen praktische argumenten prevaleren boven de esthetiek? Het lijkt mij toe dat de voorschriften verderop voor reclame e.d. de stad eerder verschralen en dat het van een fictieve eenheid is die hier wordt gepredikt.

p. 42 Zie mijn eerdere kommentaar.

p. 43 Er dient een discussie plaats te vinden over het gewenste karakter van de Trompetterstraat. Ik vermeldde dit al eerder. Overwogen zou moeten worden tot welke GRAAD het gebied ten westen van de Hoofschestraat moet worden aangepast. Qua structuurelementen zal hier vooral sprake zijn van historisering. Historisch gezien heeft de Trompetterstraat nooit wat voorgesteld. Niet alle ingrepen hoeven overal volledig ongedaan te worden gemaakt. De bebouwing ten westen van de Hoofschestraat is een feit. Alles terugdraaien is zonder sloop onmogelijk.

p. 43vv Hier wordt steeds structureel bouwen in DRIE lagen aanbevolen terwijl dit NIET de overwegende historische maat is.

p. 45 Het gegeven voorbeeld is veel te hoog voor de binnenstad van Grave (dus ook de recente nieuwbouw aan de Trompetterstraat!). Niet de gemiddelde hoogte in de stad is hier uitgangspunt, maar de incidentele hoogste maat. Ik zei al dat dit financieel te billijken is, maar historisch verantwoord is het niet.

p. 46 Er zal een grondige discussie moeten komen over de bebouwing ter hoogte van de scheepswerf. Tot nu toe is dit in het geheel niet gebeurd. Ik zie niet zo snel in waartoe een dergeliujke bebouwing een positieve impuls moet geven. Ook horecaboten en terrassen passen niet in de historische context. Ik heb ook nooit begrepen waarom parkeren zoals dat nu gebeurt zo principieel verwerpelijk is. Ook daarover is nooit gediscussieerd.

p. 47 Waarom hier twee bouwlagen en elders niet? Waarom hier benadrukken dat de St. Elisabeth overal boven uit steekt/moet steken en elders niet?

p. 48 De projectie van de vestingwerken is niet juist (Blauwkop, ravelijnen in het zuidwesten en westen). Zie bijgeleverde projectie.

p. 49 Bebouwing is historisch onverantwoord en praktisch niet nodig. Opmerkelijk is dat nooit wordt overwogen het Estersveld uit te breiden naar de Cuijksesteeg.

p. 50 Er is m.i. ook uit een oogpunt van beeldkwaliteit maar zeker historisch geen rechtvaardiging voor verhoging van de goothoogte, zeker als de verschillende bouwlagen er nog zijn. Zelfs drie bouwlagen met kap zijn op veel plaatsen te hoog, zeker als de lagen onderling even hoog zijn. Heel de stad is beschermd stadsgezicht en dat heeft zeker ook gevolgen voor de huidige panden en kavels zonder status.

p. 52 Hier wordt bevestigd wat op p. 51 was ontkend.

De pp. 52-55 lijken mij juist.

p. 60 foto rechtsboven: dit is m.i. geen kazemat.

p. 62 foto links: geen aandacht voor de kwaliteit van de pui op de begane grond (glas in lood). Rechts: miskend wordt dat hier zwaar historiserend is gerestaureerd.

p. 63 Zie mijn eerdere opmerkingen op dit punt.

p. 65 tweede kolom: hier wordt een probleem aangesneden dat geldt voor het BKP als geheel: in hoeverre wordt de bestaande situatie geaccepteerd en in welke mate is het de bedoeling – als dat wetstechnisch al kan – het hier gewenste af te dwingen? Dreigt hier geen détournement de pouvoir?

p. 67 M.i. is hiervoor geen draagvlak. Steun vanuit de geschiedenis is er in elk geval niet. Heeft wetstechnische toetsing plaatsgevonden?

p. 71 Beter ware van uithangtekens te spreken en de vorm en de kleur niet te beperken tot schilden met belettering als hier voorgeschreven.

Ik mis een waardering van de huidige straatwand aan de oostzijde van de Scheerestraat. Hier is, vind ik, met weinig middelen goed rekening gehouden met de historische structuur.

BIJLAGEN

De (uit het komplan overgenomen) straatwanden zijn niet overal geactualiseerd.


p. 7 aan de Hoofwagt = aan de vroegere Kerkstraat.

p. 15 kloostercomplex = blindeninstituut.

p. 17 klooster = blindeninstituut.

p. 18 bovenste wand is niet actueel.

p.21 voor de hier gegeven hypothese zie eerder.

p. 23 De ‘historische bebouwing’ aan de Korte Rogstraat is zeer recent.

p. 27 de paardenstal bij het arsenaal = de paardenstal IS het arsenaal.

p. 29 Het kasteel lag niet hier; het ligt onder de kat. De bebouwing ter plaatse van het arsenaal dateert van ver voor 1674 (aanwezig in 1541). De sociëteit was niet gevestigd in het huidige ‘Kasteeltje’ maar aan de overkant, ter plaatse van de huidige sociëteit. Zie 200 jaar Sociëteit p. 21.

p. 37 Tekst eerste kolom herhaalt letterlijk eerdere teksten. Niet het blindeninstituut aan de Hoofschestraat is verplaatst naar de zuidzijde van de stad (dit ging naar Nijmegen). Het Sensisterrein is de nieuwbouw van het vroegere blindeninstituut voor meisjes aan de Oliestraat.

p. 41 Sinds het midden van de 18de eeuw moet zijn: sinds 1794.

p. 45 Zie mijn eerder kommentaar over de poort.


p. 52 aan het einde van de Hamstraat = aan het einde van de huidige Hamstraat. De Brugpoort lag aan de huidige St. Elisabethstraat, niet aan het einde van de Brugstraat. Zie bij p. 12 van het rapport.

p. 53 5 bastions = 3 bastions plus 2 halfbastions.

p. 56 Stond er ter plaatse van de G.W. Lovendaalsingel wel een muur?

p. 57 Het arsenaal is de stal geweest bij het kasteel en niet het kasteel zelf.

Mijn reactie: dit stuk zal uitvoerig besproken moeten worden en alsnog voorgelegd moeten worden aan alle betrokkenen voor commentaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: