CDA: doorslaggevende stem Keerpunt 2010 in strijd met Gemeentewet.

GRAVERMAAT: Het CDA Grave plaatste onderstaand bericht op haar website/Facebook.

Via de vereniging voor raadsleden kreeg ik een artikel van staatsrechtgeleerde Douwe Jan Elzinga over achtergrondinformatie over artikel 28 van de gemeentewet onder ogen. 

Mocht Ben Litjens (Keerpunt 2010) stemmen over het het raadsvoorstel Principe-uitspraak Graafschedijk 56-69 Escharen?

Nee, in geen geval. De wet is glashelder. De Gemeentewet staat boven de Gedragscode van de gemeente Grave.

Wat zegt de wet?

Artikel 28 lid 1 aanhef en onder a Gemeentewet luidt: “Een lid van de raad neemt niet deel aan de stemming over: een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken.”

In De Gelderlander van 25 februari 2021 zegt burgemeester Roolvink “dat Litjens in zijn recht stond om mee te stemmen”. Dat bestrijdt het CDA?

Ja. Ben Litjens mocht onder geen beding meestemmen, zo duidelijk is de wet. Welke interpretatie je ook aan artikel 28 van de Gemeentewet geeft, er is sprake van een direct persoonlijk belang.

Heeft het CDA meer argumenten dan alleen artikel 28 van de Gemeentewet?

De wet is glashelder. Maar als je kijkt naar het Beleidskader schorsing en vernietiging haalt de Rijksoverheid een casus uit Heumen aan. Die spreekt voor zich.

Citaat uit het Beleidskader: “Een voorbeeld van een besluit waarbij de Grondwet niet in het geding was, maar de kwestie wel aan bovenlokale belangen raakte, is het besluit van gemeente Heumen. In dat geval had de gemeenteraad besloten de prijzen van de bouwkavels in een bepaalde wijk te verlagen. Het voorstel daartoe was met de kleinst mogelijke meerderheid aangenomen. De stemverhouding bedroeg negen stemmen voor en acht stemmen tegen. Eén van de leden van de gemeenteraad, die voor het voorstel had gestemd, stond echter op de lijst van gegadigden voor een bouwkavel in de wijk. Het raadslid had dus een direct persoonlijk belang bij de besluitvorming. Geoordeeld werd dat dit in strijd was met artikel 28 van de Gemeentewet. In dat artikel is bepaald dat een raadslid niet mag deelnemen aan een stemming die hem aangaat. Dit om de zuiverheid in de besluitvorming te bevorderen. Het besluit werd dus vernietigd. (Koninklijk besluit van 12 augustus 2003, Stb. 2003, nr. 332.)” Hieruit blijkt dat het op 23 februari genomen besluit voor vernietiging voorgedragen dient te worden.

De burgemeester hoopt, volgens De Gelderlander, dat het algemeen belang prevaleert boven het politiek belang en dat “het gezond verstand zal zegevieren”. Wordt hier, zoals de LPG beweert, een politieke rekening vereffend?

De wet is neutraal en voor iedereen gelijk. Het CDA heeft het raadsvoorstel inhoudelijk en procesmatig beoordeeld en is toch de conclusie gekomen dat het nog niet rijp was voor besluitvorming.

Ben Litjens stemde de eerste keer (in december) niet mee, in februari wel. Hoe staat het CDA daar tegenover?

Ook hier geldt dat de wet duidelijk is. Op 17 december heeft de raad erover gestemd. De stemmen staakten. Dat betekent dat het voorstel tóen al verworpen was. De hele raad was aanwezig en dan is bij stakende stemming het voorstel afgewezen.

Waar staat dat?

In de wet. Artikel 32, lid 5, van de Gemeentewet luidt: “Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering […] is het voorstel niet aangenomen. Het zesde lid van dit artikel zegt: “Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit de raad bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht”

Als je de burgemeester volgt, mocht Ben Litjens tóen ook al stemmen.

Ben Litjens heeft toen de juiste keuze gemaakt. Hij heeft niet meegedaan aan het debat en ook niet aan de stemming. Hij was er wél bij, want toen er – tijdens de beraadslagingen! – een ordevoorstel kwam, heeft hij daarover wél gestemd. Kortom: de hele raad was aanwezig, de stemmen staakten en dan zegt de Gemeentewet klip en klaar dat het raadsvoorstel verworpen is.

Waarom is het voorstel dan op de agenda van de volgende raad gekomen?

Wij zijn voortdurend transparant geweest, ook over de Gemeentewet. Toen de burgemeester een notitie aankondigde waarin uitgelegd werd waarom Ben Litjens volgens zijn onderzoek wel mocht stemmen, is hem gewezen op de casus-Heumen. Tijdens een openbare raadsvergadering heeft het CDA al uitgelegd dat volgens de artikelen 28 en 32 van de Gemeentewet het van de agenda moest. Er is niet geluisterd. Zo simpel is het. Net zo simpel dat de wet duidelijk is: Ben Litjens mocht niet stemmen omdat hij een direct persoonlijk belang had bij het voorstel.

Dus?

Het besluit moet bij de Kroon voorgedragen worden voor vernietiging. En ook dit is niet-politiek. De – neutrale – Kroon toetst het aan de – neutrale – wet. Het recht zal zijn loop krijgen.

Achtergrond informatie over artikel 28 gemeentewet.
Column Douwe Jan Elzinga: stemonthouding gaat eindelijk veranderen.
Bron: Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. 18 februari 2020. 

Hoogleraar staatsrecht Douwe Jan Elzinga geeft in zijn columns een blik op het lokaal bestuur. 

”Jarenlang was er voor raadsleden en statenleden bij stemmingen onduidelijkheid over de fenomenen belangenverstrengeling en de schijn daarvan. Bij de toepassing van het criterium ‘vooringenomenheid’ uit de Awb1 kwam men soms heel anders uit dan bij de toepassing van de regeling voor stemonthouding uit de Gemeentewet. Ook burgemeesters als raadsvoorzitter zaten regelmatig met de handen in het haar. Maar dat gaat nu anders worden. De Gemeentewet en de Provinciewet krijgen uitdrukkelijk voorrang op de Awb. De regeling uit de Awb is straks niet meer van toepassing op de beraadslaging en de stemming in gemeente en provincie en dat is goed nieuws.

Botsing van organieke wetten: vooringenomenheid van de Awb niet langer van toepassing op beraadslaging en stemming

Als leden van de gemeenteraad of provinciale staten een persoonlijk en onmiddellijk belang hebben bij een bepaalde aangelegenheid moeten ze zich onthouden van deelname aan de beraadslaging en de stemming. Zo wordt de nieuwe formulering van art. 28 van de Gemeentewet2 en de Provinciewet. In de voorstellen, die voor internetconsultatie zijn aangeboden, kiest de minister van BZK voor een verduidelijking en verbetering van art. 28 en dat voorstel kan worden toegejuicht. Het bestaande artikel 28 functioneerde lange tijd ook alleszins redelijk. Maar toen art. 2.4 Awb in beeld kwam, ontstond – mede door diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – een zeer onoverzichtelijk en verwarrend beeld. De Awb richt zich vooral op de bestuursorganen die vooringenomenheid moeten voorkomen en langs die route werd geredeneerd dat het bestuursorgaan – gemeenteraad of staten – er voor moet zorgen dat ook een dergelijke vooringenomenheid van raads- en statenleden niet plaatsvindt. Toen vervolgens via jurisprudentie ook nog de ‘schijn van belangenverstrengeling’ werd binnengevlogen, was het hek van de dam.

Met regelmaat werden raadsleden door raad of burgemeester gemaand zich verre te houden van de stemming. Dat ging soms zelfs zo ver dat bij de stemming over bijvoorbeeld een bestemmingsplan buitengebied de in de raad aanwezige boeren werden verzocht om niet mee te stemmen. De meest kleine schijn van belangenverstrengeling moest immers worden vermeden. En het is daarbij voorgekomen dat bij een dergelijke stemming om die reden de meerderheid in een minderheid veranderde.

Bij dat waken tegen vooringenomenheid door de raad bleek vervolgens in de praktijk dat het bestuursorgaan nauwelijks over instrumenten beschikt om individuele raadsleden tot een bepaald handelen te dwingen. En tenslotte werd de constatering van de minste schijn van belangenverstrengeling in nogal wat gevallen gebruikt als politiek strijdmiddel. Want als je roept dat de schijn er is, dan is nauwelijks meer aannemelijk te maken dat het niet zo is.

Vanuit de gemeentelijke praktijk en door kenners van het gemeenterecht is vele jaren geroepen dat het zo echt niet meer langer kan en nu is het dan (bijna) zover. Dat betekent echter nog niet dat alle problemen nu uit de wereld zijn. De botsing tussen twee organieke wetten is weliswaar opgeheven. Art. 2:4 Awb is straks niet meer van toepassing op de beraadslaging en de stemming, maar er moet dan wel een nieuwe modus worden gevonden voor de toepassing van het nieuwe art. 28. Daarbij kan als uitgangspunt dienen dat een publiek recht een publieke plicht oplevert.

Raadsleden worden geacht deel te nemen aan de beraadslaging en de stemming. In hoge uitzonderingsgevallen zien zij daarvan van af. Wat de precieze inhoud is van een ‘persoonlijk en onmiddellijk belang’ is, zal zich in de praktijk moeten uitkristalliseren. Daarbij komt een eerste, maat ook een finale verantwoordelijkheid toe aan het betreffende raads- of statenlid. Uiterst voorzichtig moet worden omgegaan met de categorie ‘schijn van belangenverstrengeling’, vooral omdat dit een zeer subjectief begrip is dat zich sterk leent voor politisering.

Twijfelt een raadslid dan zijn burgemeester en griffier de eerst aangewezenen om te adviseren. Omdat voortaan ook de deelname aan de beraadslaging een ankerpunt is, doen raads- en statenleden er verstandig aan vroegtijdig hun twijfels kenbaar te maken, zowel ten aanzien van henzelf of anderen. In andere gevallen – bij niet-kenbaarheid – zal stapsgewijs een nieuw en goed functionerend toepassingskader moeten ontstaan.”

Douwe Jan Elzinga is hoogleraar Constitutioneel Organisatierecht aan de RU-Groningen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: