Gastcolumn Ben Bongaards nr.74: DeJjeugd, de Kat en de Gemeente.

Mensen met een hond komen nogal eens op De Kat, het bastion
aan de landzijde van ons stadje. Jongelui doen dat ook. Soms zie ik er enkele
gezellig zitten of liggen keuvelen op de takken van de grote den die daar als
een soort heksenboom verdwaald is. Leuk uit het zicht en in de luwte. Uit mijn
jeugd herinner ik me hoe plezierig het is om op zo’n beschut plekje rond te
hangen en je onbespied te wanen. Een stukje geborgenheid zonder sociale
controle.
Naarmate het warmer wordt, wordt het clubje groter en verhuist het tafereel
naar de twee bankjes die de gemeente daar ongeveer een jaar geleden geplaatst
heeft. Op zich is dat in mijn ogen een geschikt plekje om als jeugd onder
elkaar te zijn; een hangplek zogezegd waar de overlast minimaal is… Als
tenminste de jeugd zich daarnaar gedraagt. Zonder nou direct de moralist uit te
willen hangen, denk ik bij mezelf: ‘Jongens en meisjes, je hebt hier het
leukste plekje van Grave, met weinig moeite kun je dat zo houden en kun je daar
gezellig toeven zonder gezeur en gezeik. Waarom maak je er met z’n allen dan
zo’n zooitje van? Het werkt in jullie eigen voordeel als je het plekje koestert
en in ere houdt. Hoe? Heel simpel door wat je mee naar boven neemt na afloop
van het treffen mee te nemen en leeg ergens in een prullenbak te deponeren. Er
stonden afvalbakken. Die zijn vernield; dan is de consequentie dat je zelf
ervoor moet zorgen dat je de troep opruimt.
Je kunt op je vingers natellen, dat, wanneer je niet genoeg oog hebt voor je
eigen leefomgeving, je de regelgevers uitlokt en in de kaart speelt om het voor
jou te doen en er vervolgens voor zorgen dat je hangplek dichtgeregeld wordt.
Zo werkt dat namelijk.
Tot zover De Kat en de jeugd. De Kat en de gemeente is in
feite eenzelfde verhaal, doen zonder na te denken. Je ziet van tijd tot tijd
dat er weer wat gebeurd is op de berg. Bomen gekapt, bijvoorbeeld. Het gaat
waarschijnlijk om uitschot maar als je dat lang genoeg laat staan, worden dat
ook bomen. Hele mooie bomen voor een deel. Zoals onze magnolia bij de toegang
bij De Kat. Jaren achtereen was zij een onbeduidend stukje struweel dat zich
elk voorjaar in bruidskledij tooide om ons met haar schoonheid te behagen. Was
opeens verdwenen.
Nu zie ik ook wel dat van boven af, als je nu ‘de berg’ afloopt, zich een
tafereel ontvouwt dat ook zeer wel de moeite waard is. Mooi zicht op de
Hampoort, zichtbaar het gegeven dat de stadswal vroeger door liep tussen De Kat
en de poort. Dat is winst. Alleen de magnolia zal ik blijven missen. Ook de
uitschot-acacia’s boven met hun grillige vormen en vervormingen mis ik node.
Jammer. Maar ik zie ook wat ze al die tijd aan mijn oog onttrokken hebben, het
front van het stukje Arsenaal dat in De Kat ingebouwd is. Het oog verliest wat
maar wint ook. Ook de hellingen, de eigenlijke kogelvangers van De Kat, ontdaan
van de perenbomen en afrasteringen, laten iets van een belofte zien. Het is
alleen Graafs lang wachten eer de belofte ingelost wordt.
Iets van een belofte. Ik zie dat de gemeente op een dag,
eind 2011 er opeens twee banken en twee afvalbakken neergezet heeft. Netjes,
zeker, maar als ze dan vervolgens alles wederom op z’n beloop laat, lijkt het
er na een maand op dat ze het parkmeubilair er inderdaad enkel neer gepleurd
is. De verloedering is min of meer meegeleverd door onze gemeente omdat die bij
het opkalefateren van De Kat vrijwel alles aan het toeval lijkt te hebben
overgelaten. Je ziet dat er een tractor wat rond gerausd heeft om het grofste werk
te doen. Je ziet dat er gekapt is. Dat er begonnen is de paden wat te
fatsoeneren. Wat je niet ziet, is enig systeem noch enige opzet om het karwei
af te maken. Je ziet met één
oog de potentie van De Kat als plek waar Gravenaren en hun opgroeiende jeugd
graag toeven en ziet met het andere oog dat ons bestuur min of meer uitnodigt
om er een janboel van te blijven maken. Omdat het kennelijk niet lukt, na ruim
anderhalf jaar, om uit te voeren wat het zegt te willen.

De Kat heeft, net als Bekaf aan de Maaszijde, de potentie
van een mooi, sfeervol stuk vestingwerk, tegen de stad aangevleid en op
kuierafstand. Alle Gravenaren zien dat, alle raadsleden zien het. We zouden het
met z’n allen graag onderdeel zien worden van Grave als toeristische parel aan
de Maas maar het komt er maar niet van. Toerisme is voor ons stadje en zijn
bestuurders een papieren werkelijkheid. Een van dagdromen… als we onze zaakjes
nou eens op orde zouden hebben… toeristische trekpleister. Het komt er niet
van. Als de dagdroom voorbij is, wordt hij op de stapel gegooid van alle
Graafse dromen die bedrog bleken. Bovenop die van ons Hart dat pas bestraat en
ingericht zal worden als de toeristen al lang weer bij de kachel zitten.
Bovenop die van de ingang van de stad via de Hampoort. Boven op die van de
Hamstraat met zijn gevels… Boven op die van de B&B-boot die er niet mocht
zijn van appellante cum suis en de boot die er zou mogen komen van ons bestuur.
Laat de toeristen maar komen; Grave zal er wel nooit klaar voor zijn maar desondanks
is er heel veel moois te zien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: