KEERPUNT 2010 stond alleen om bestemmingsplanwijziging goed te keuren.

Voorstel van het college..

Beslispunten
Het verzoek om bestemmingsplanwijziging van Scheepswerf Grave B.V. van 2 september 2010 af te wijzen.
Inleiding
Op 2 september 2010 heeft BMD Advies namens Scheepswerf Grave B.V. (in het vervolg: “de scheepswerf”) een brief naar ons (het college) gestuurd. Het briefhoofd van de brief luidt: “Verzoek tot wijziging van bestemmingsplan
Komplan Grave”. 
In de vierde alinea echter staat “Om deze reden wil het bedrijf de gemeente verzoeken om een aanpassing van het bestemmingsplan, die kan worden meegenomen in de bredere beoogde actualisering van de planologische regels in dit gebied.” Op basis van deze alinea, en dan met name de zinsnede na de komma, zijn wij ervan uitgegaan dat er sprake was van een principeverzoek. Om die reden is het verzoek dan ook niet doorgestuurd naar uw raad. Bij het verzoek was een “ruimtelijke onderbouwing” gevoegd. 
Overigens wordt gesproken over aanpassing van het bestemmingsplan Komplan Grave, de scheepswerf valt echter onder het regime van het “Saneringsplan voor de binnenstad” uit 1965.
In juli 2010 had de scheepswerf bij de provincie een verzoek ingediend om de bestaande milieuvergunning aan te passen. De bestaande milieuvergunning begrenst de bouw van schepen tot een lengte van 110 meter. De scheepswerf wil meer. De provincie had laten weten daar geen bezwaar tegen te hebben, maar zij vroeg de gemeente om te beoordelen of de bouw van schepen met een lengte tot 135 meter paste binnen het geldende bestemmingsplan.
Wij hebben de vraag van het provinciebestuur op 14 december 2010 beantwoord. Wij hebben de provincie geschreven dat de bouw van schepen met een lengte van 135 meter niet past binnen het bestemmingsplan.
Deze beslissing van ons is aan de provincie meegedeeld en ter kennisname (per e-mailbericht) ook aan de eigenaar van de scheepswerf, de heer Van Kessel, gestuurd. Deze heeft onze beslissing gezien als een besluit, en wel als een besluit op zijn verzoek van 2 september 2010 om het bestemmingsplan te wijzigen. Zijn advocaat heeft daarop een bezwaarschrift ingediend. Wij hebben het bezwaarschrift voorgelegd aan de commissie bezwaarschriften, die van oordeel was dat de scheepswerf niet ontvankelijk was, omdat onze beslissing van 14 december 2010 geen besluit (in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht) is, omdat deze niet is gericht op rechtsgevolg. Wij hebben het bezwaarschrift daarop niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit van het
college is namens de scheepswerf een beroepschrift bij de rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft op 25 mei 2012 uitspraak gedaan en daarbij uitgesproken dat:
– het verzoek van de scheepswerf van 2 september 2010 een verzoek was om het bestemmingsplan aan te passen;
– dat onze beslissing van 14 december 2010 wel een ‘besluit; is, en wel een besluit op het verzoek van 2 september 2010;
– dat niet wij, maar u, de gemeenteraad, het bevoegde orgaan is om op een dergelijk verzoek te antwoorden;
Pagina 2
– dat wij dus onbevoegd hebben beslist op het verzoek van de scheepswerf;
– dat het beroep tegen onze beslissing op bezwaar gegrond is.
Vervolgens heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar vernietigd, de beslissing van 14 december 2010 herroepen en ons opgedragen het verzoek van 2 september 2010 ter besluitvorming aan u door te zenden.
Beoogd effect
Conform de bepalingen van de Wet ruimtelijke ordening het verzoek van Scheepswerf Grave B.V. behandelen.
Argumenten
Het verzoek van 2 september 2010 betreft een planologische uitbreiding van de inrichting van de scheepswerf van circa 60 meter de Maas in. Het verzoek staat los van de recent ontstane situatie bij de scheepswerf.
Ten aanzien van het verzoek om bestemmingsplanwijziging van 2 september 2010 stellen wij uw raad voor om het verzoek af te wijzen en gelet op artikel 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening binnen acht weken te beslissen op de
aanvraag/ het verzoek. Voor het afwijzen van het verzoek is een aantal aspecten van belang.
De ruimtelijke onderbouwing is ten eerste op een aantal onderdelen onderbelicht. Daarbij gaat het om de provinciale beleidskaders zoals de Verordening Ruimte. Weliswaar was die verordening op het moment dat het
verzoek werd ingediend nog niet van kracht, maar zij was al bekend en de provincie anticipeerde er al op.
Gelet op de Verordening Ruimte is de inrichting en de voorgestane uitbreiding van de scheepswerf gelegen binnen een ‘rivierbed’ en binnen de ‘ecologische hoofdstructuur’, waarbij een bestemmingsplan gelegen in de ‘ecologische
hoofdstructuur’ strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Daarnaast is ten aanzien van het aspect water en het verzoek om planologische uitbreiding de Maas in een advies van Rijkswaterstaat ontvangen. Rijkswaterstaat geeft aan dat de uitbreiding van Scheepswerf Grave B.V. zoals
aangevraagd in het verzoek van 2 september 2010 niet strookt met de beleidsdoelstelling van een veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer gelet op de Richtlijnen Vaarwegen 2005, de nautische aspecten (zichtlijnen en bochtstralen) en de aanwezigheid van de haven en de stuw. Rijkswaterstaat geeft aan dat de voorgestane uitbreiding het vrije zichtveld belemmert dat benodigd is voor een veilige in- en uitvaart naar de Maas verder dan nu reeds het geval is.
Verder heeft uw raad in het verleden bij de vaststelling van ‘Komplan Grave’ (geen planologische uitbreiding noch naar links, noch naar rechts, noch landinwaarts, noch rivierwaarts), tijdens de sessies in het kader van de nieuwe
structuurvisie alsmede op 8 mei jl. unaniem besloten, behoudens de opgenomen voorwaarden, dat het groeipotentieel van Scheepswerf Grave B.V. op de locatie Maaskade 28 bereikt is, mede gelet op de ligging nabij de woningen en het beschermde dorpsgezicht, en de bereikbaarheid en de invulling van de jachthaven en de Loswal.
Onze conclusie is dan ook dat de gevraagde herziening niet in het belang is van een goede ruimtelijke ordening. Wij adviseren u conform te beslissen.
Kanttekeningen
– Tegen de uitspraak van de rechter van 25 mei 2012 kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
– Indien uw raad alsnog instemt met het verzoek om bestemmingsplanwijziging van de scheepswerf van 2 september 2010, dan dient de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gevoerd te worden
(uitgebreide bestemmingsplanprocedure).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: