9 okt. 2017

Tranen van opluchting"

06-10-2017

Illya Soffer



Toen de Tweede Kamer vorig jaar het VN-verdrag voor de rechten van personen met een handicap aannam, vloeiden er heel wat tranen van opluchting bij mensen met een beperking en hun naasten. Voor buitenstaanders is dat vast niet goed te bevatten. Minstens zo onvoorstelbaar is het, dat het bijna tien jaar heeft geduurd om dit schijnbaar eenvoudige verdrag geratificeerd te krijgen in Nederland; we waren één van de allerlaatste landen ter wereld. Een verdrag dat doet huilen, en waar tien jaar lang geen kabinet zich aan durft te wagen, dat moet wel een heel bijzonder verdrag zijn. Wat maakt dat het VN-Verdrag zo belangrijk is voor mensen met een beperking? Wat maakt dat het tot aan de laatste stemming spannend was of het Verdrag wel op voldoende politieke steun kon rekenen?


Het VN-verdrag Handicap stelt eigenlijk niet veel meer dan dat mensen met een beperking op gelijke voet moeten kunnen deelnemen aan de samenleving. Het verdrag gaat over gelijke behandeling, gelijke toegang tot onderwijs, arbeid, vervoer, over toegankelijkheid van informatie, van openbare ruimte en gebouwen en over allerlei zaken die zo vanzelfsprekend lijken voor mensen zonder beperking. Het is een echt mensenrechtenverdrag. Het gaat over vrijheid en zeggenschap om te kunnen leven zoals jij dat wilt, en het gaat over bescherming tegen discriminatie, uitsluiting en armoede. De staten die het verdrag hebben geratificeerd dragen zorg voor de geleidelijke verwezenlijking van een voor mensen met een handicap volledig toegankelijke samenleving.
Een mooi streven, maar kan dat niet met reguliere wetgeving? Moet daar nou echt een mensenrechtenverdrag aan te pas komen? Mensenrechtenverdragen worden vooral geassocieerd met onderwerpen als vluchtelingen, vrouwenhandel, kindsoldaten of politiek gevangenen; doorgaans niet met welvaartsstaten zoals die van ons. Bij ons zijn mensen met een handicap toch ‘goed verzorgd’? Er zijn goede zorginstellingen, er is speciaal onderwijs, je kunt een rolstoel krijgen van de gemeente? Je kunt hier toch klagen of in bezwaar of beroep, wat kan een verdrag daar nu nog aan toevoegen? Gezien de tranen en de ellenlange aanloop heel wat. Want tussen goed verzorgd worden en op gelijke voet meedoen, is blijkbaar een wereld te winnen. Het verdrag beoogt precies die kloof te slechten. Motto van het verdrag is: “Nothing about us, without us”. Hetgeen zoveel wil zeggen als dat het verdrag niet alleen het 'wat', maar vooral ook het ´hoe´ beschrijft van gelijkwaardigheid. Met ratificatie verplichten overheden, instellingen en sectoren zich ertoe om de samenleving toegankelijker te maken. En om dat met mensen met een beperking samen te doen, en niet voor of over hen.
Automatisch betekent dit ook dat de definitie van wat goede zorg, goed onderwijs of een goede voorziening is, voortaan alleen (mede) bepaald kan worden door de mensen die het betreft. Hun deelname aan beleidsontwikkeling is een must geworden, en niet een ‘moetje’. Dat lijkt een klein accentverschil, maar vraagt een diepgaande cultuurverandering. Eentje die Nederland er vooralsnog tien jaar lang van heeft weerhouden het verdrag te ratificeren.
Niet alleen de cultuurverandering zat ratificatie in de weg. Het waren vooral ook de ondernemersbezwaren tegen de toegankelijkheidseisen voor het bedrijfsleven die keer op keer roet in het eten dreigden te gooien. Moeten ondernemers diep in de buidel tasten om detailhandel, horeca, kantoorpanden en woningen fysiek toegankelijk te maken? En worden ze strafbaar als ze dat niet doen? Het waren dit soort vragen die om verheldering vroegen. Tempo, mate van sturing en wijze van investeren waren lang onderwerp van gesprek.
Maar niet alleen het bedrijfsleven zocht geruststelling rondom de uitvoering van het verdrag. Ook bij de overheid keek lang niet iedereen even enthousiast uit naar de omslag waartoe het verdrag Nederland verplicht. Op termijn moeten alle stemhokjes, rechtbanken, gemeentehuizen, publiek gefinancierde diensten, openbaar vervoer en overheidscommunicatie toegankelijk worden.
Hoewel het voor mensen zonder beperking gemakkelijk tot de verbeelding spreekt te zien dat iemand in een rolstoel de winkel of het café niet in kan, beperkt het verdrag zich daar juist niet toe. Toegankelijkheid is veel meer dan een rolstoelplank over een drempel. Het gaat over diversiteit, over inclusie en over de bewustwording dat niet alleen mensen met een beperking hun best moeten om te kunnen meedoen, maar dat ook de samenleving daar een taak in heeft. Het heeft de gemoederen in Den Haag al met al lang bezig gehouden.


Geen opmerkingen: